Poedelprijs

Het cadeau lag op tafel, zorgvuldig ingepakt met een rood lint. Ze had het daar laten liggen. De strik was een beetje losgetrokken en zat niet meer zo strak op het doosje als gisteravond. Ze liep er naartoe. De koude plavuizen lieten een rilling langs haar blote benen lopen. Nu pas merkte ze hoe kil het was zonder de verwarming aan. Zelfs de bank voelde koel. Ze staarde naar het pakje en peuterde wat aan een uiteinde van het lint, dat begon te rafelen.

De fles wijn had ronde vlekken op het hout gemaakt. Onderzetters lagen verspreid over de vloer. Ze had ze gisteravond een voor een van de tafel af geveegd, als schijven in een sjoelbak. Een vlaag van de avond kwam omhoog borrelen als de zure smaak van braaksel dat al een dag dwars zat. Sandy zat inmiddels bovenop haar linkervoet. Ze voelde haar staart tegen haar enkel kwispelen. De hele nacht was Sandy niet van haar zijde geweken. Meestal lag ze in de woonkamer. Haar lange, beige kleurige, pluizige oren pasten precies bij het vloerkleed.

Hij was gisteravond binnen komen lopen met nieuwe gympen aan. Het waren niet de Vans die hij altijd kocht. De zolen waren zo schoon en wit dat ze leken te fluoresceren.

Hij was gisteravond binnen komen lopen met nieuwe gympen aan. Het waren niet de Vans die hij altijd kocht. De zolen waren zo schoon en wit dat ze leken te fluoresceren. Hij had haar een vluchtige kus gegeven en de koude buitenlucht op haar wang achtergelaten.

“Bier?” vroeg ze en liep automatisch naar de koelkast.
“Doe maar wat fris.”
“Siroop?”
“Water is ook goed.”
Hij dronk nooit water.

De dag ervoor had ze zijn pakje magere yoghurt weggegooid. Het zat nog voor de helft vol, maar stond al dagen onaangeroerd in de koelkast. De geklonterde brokken zuivel kwamen het pak niet meer uit.

Hij haalde een glimmend doosje uit zijn grote jaszak. Als een konijn uit een toverhoed. Hij zette het voorzichtig op tafel alsof het breekbaar was.   

Ze liet een glas onder de kraan vollopen en vulde het bij met ijsklontjes. Zo leek het tenminste op een drankje. In de woonkamer zette ze het glas op een onderzetter. Ook water kon gemene kringen maken op tafel. Haar eigen glas met witte wijn stond er half leeg naast. Ze hief het werktuiglijk om tegen zijn glas te klinken. Hun gewoonte bij het eerste drankje van de avond. Hij pakte zijn glas niet op, maar staarde voor zich uit. Plotseling kwam hij in beweging en haalde een glimmend doosje uit zijn grote jaszak. Als een konijn uit een toverhoed. Hij zette het voorzichtig op tafel alsof het breekbaar was.

“Wat is dit?” vroeg ze en glimlachte.
“Dit had ik je nog beloofd.”
Ze fronste haar wenkbrauwen.
“Toen we een keer langs die chocolaterie liepen.”
Het rode lint stak fel af tegen het zachtgele doosje. Ze stak haar vinger door de lus van de strik.
“Ik vind dit heel moeilijk,” zei hij opeens.
Ze haalde acuut haar hand van het pakje af en schoof het een stukje van zich af.
“Maar ik kies voor haar.”
Ze slikte. Haar adem zat ineens zo vast bovenin haar borst dat ze moest snuiven om het los te laten.
“Wat is er veranderd?”
“Ze is zwanger,” antwoordde hij.
“Gepland?”
Hij haalde zijn schouders op. “Ze was de pil vergeten.” Zijn stem haperde.
“En waarom dit?” Ze knikte met haar hoofd naar het cadeau.
Hij zuchtte, schudde zijn hoofd en keek naar de vloer. “Ik weet het niet. Ik had het je beloofd.”

Ze was meteen opgestaan en naar de voordeur gelopen. Dit wilde ze niet meer. Hij was aarzelend achter haar aan gelopen en vlak bij haar gaan staan.
“Ik hoop dat ze smaken,” zei hij en glimlachte flauw. Ze rook zijn aftershave en een vage knoflooklucht.
“Sorry,” fluisterde hij en stak zijn hand uit om haar aan te raken.
Ze trok zich terug en kon alleen maar zwijgend naar de muur kijken. Hij was traag de deur uitgelopen, alsof hij het moment wilde vasthouden.
Het cadeau had ze de hele avond genegeerd. Aanraking had de pijn alleen maar opgerekt.

Nu maakte ze het doosje voorzichtig open en haalde er een bonbon uit. De kleur van pure chocolade. Ze hield het blokje bij haar neus en rook iets van peper of kruidnagel. Even overwoog ze een hapje te nemen, maar bedwong zichzelf. Ze wilde z’n troost niet en gooide de bonbon in Sandy’s bek. Ook honden konden soms een beetje steun gebruiken.  

Dit verhaaltje lag nog ergens. Geschreven voor een wedstrijd vorig jaar. Beginnend met de eerste zin ‘Het cadeau lag op tafel, zorgvuldig ingepakt met een rood lint’. Vond het toch te leuk om te laten liggen.

Over bullshit gesproken

Managen op zijn GroningsBobotaal. Wat een schitterend twitteraccount. Alleen jammer dat het account met de naam ‘De wethouder’’ suggereert dat zulke taal alleen gebezigd wordt door ambtenaren. Een grotere vergissing kun je niet maken. Want de meest onnozele termen heb ik toch wel gehoord in commerciële omgevingen. Met collegaredacteuren ging ik bij een vorige werkgever weleens met een bullshitbingo kaart bij organisatie brede evenementen zitten om te turven welke termen er allemaal door de ruimte vlogen. Het leek ons hilarisch als een van ons dan keihard ‘Bingo!’ (of bullshit) zou roepen, middenin de presentatie van mevrouw de opperbaas. Maar dat gebeurde natuurlijk nooit.

Monitoren
Onbegrijpelijk dat we denken dat ingewikkelde zinnen als ‘De in de notitie opgenomen uitgangspunten maken uitvoering mogelijk van de inhoudelijke agenda’s’ het werk helder maken. Maar soms lijkt het erop alsof dat nog de enige manier is om serieus genomen te worden.  Dus doe ik er zelf inmiddels ook aan mee. En gebruik ik op mijn CV termen als monitoren, omdat bijhouden niet klinkt als een grote en belangrijke taak en heb ik het over signaleren in plaats van aangeven of terugkoppelen in plaats van reageren.

Lol
Toch kan ik het tegelijktertijd niet laten om erom te blijven gniffelen. En zit ik soms met verwondering naar de gesprekken te luisteren tijdens vergaderingen. Onlangs zat ik bij een overleg waarin een collega de vraag stelde: “Maar betekent het ook dat als jullie besluiten het wel te doen, dat jullie ook kunnen besluiten het niet te doen?” Toen schoot ik in de lach. Want vond het een hilarische vraag (met een nogal logisch en voor de hand liggend antwoord) en nam aan dat het niet serieus bedoeld kon zijn. Maar dat was het wel. Mevrouw de collega was not pleased. En ik kreeg een als-blikken-konden-doden-blik cadeau. Ik keek maar weg en hield me de rest van de tijd koest. Me ondertussen afvragend hoe het toch komt dat mensen zelf niet zien hoe grappig ze eigenlijk zijn.

Nuanceren is voor mietjes

Ik dacht altijd dat nuancering in discussies belangrijk was. Dat relativeren een gift is dat je steeds beter onder de knie krijgt als je ouder wordt. Met nuancering komt ook de vaardigheid om zaken in detail te kunnen bekijken, voors en tegens te kunnen zien. Gereedschappen waarmee je ook beter leert schrijven.

Maar nuanceren is helemaal niet handig. Je kunt veel beter een mening hebben. En dan het liefst een van het soort onbehouwen, waar je een grote groep mensen mee aanspreekt of – als je het goed doet – bij voorkeur ook nog mee krenkt. Dat bedacht ik me nog maar weer eens toen ik het opruiende stuk van schrijver Jamal Ouariachi las in Vrij Nederland en de reacties op JoopOpzij en de Tirade. Een mening waarvan ik niet weet of je die serieus moet nemen, omdat het er naar uitziet dat die vooral is bedoeld om mensen op de kast te jagen. Een tactiek die vast geholpen heeft om de verkoop van zijn laatste boek omhoog te krijgen. Tel daar nog eens de onbeholpen tweets bij op en zijn naam blijft tenminste de eerstkomende weken in je achterhoofd hangen.

En waarschijnlijk juist bij die vrouwen die boze stukken schreven. Misschien dat ze zelfs zijn boek zijn gaan lezen om te kunnen concluderen dat toch echt een kopie moet zijn van hemzelf.

Ik merk dan dat ik observeer. De artikelen lees, de reacties en tweets daarop en dat ik me rustig in het comfort van m’n eigen huis zit af te vragen wat ik nu toch eigenlijk vind. Om vervolgens te besluiten dat het probleem veel complexer ligt dan de paar punten die Jamal noemt. Maar complexiteit is natuurlijk helemaal niet sexy. En niet interessant genoeg om helder op papier te zetten. Want dat is een hoge-torentjes-beleidsmatige-intellectualiteit waar niemand op zit te wachten. Complexiteit past immers niet in de 140 tekens van Twitter.

En hetzelfde geldt voor de onderwerpen van je verhalen. Thema’s moeten duidelijke problematiek en conflict opleveren om opgepikt te worden, dus moet je op z’n minst een oorlogsslachtoffer zijn of seksueel misbruikt. Een mooi uitgeschreven verhaal over de beproevingen in onze welvaartsmaatschappij is niet populistisch genoeg. Ik ga het bijna jammer vinden dat ik niet Marokkaans ben. Of lesbisch. Of seksverslaafd. Misschien moet ik maar vaker tieten en kont in m’n verhalen gaan roepen. En in mijn tweets. Kijken of het me lukt om zo meer volgers voor me ‘te winnen’.

Ik ga striptekenaar worden

Gepubliceerd op Schrijvenonline op 25-6-2013

Ik heb de verkeerde aspiraties,’ bedacht ik onlangs, ‘ik kan veel beter tekenen. Of fotograaf worden.’
Vorige maand was ik voor m’n werk op een congres over Onderwijs en Social Media. Een dag met keynotes en workshops over de digitalisering van onderwijs en de verbinding met studenten via Social Media. Een interessante dag, waar ik wegging met nieuwe invalshoeken en frisse ideeën.
Tegelijkertijd zette het mij ook aan het denken over de toekomst van het geschreven woord. Want web 1.0 gaat zoetjes aan over naar web 2.0. Is web 1.0 al een vorm waarin teksten zo kort en krachtig mogelijk zijn met de belangrijkste informatie eerst, zodat de lezer zelf bepaalt wat hij wel of niet leest; web 2.0 gaat nog een stap verder en zet interactie tussen de gebruikers voorop, waarbij de inhoud soms zelfs door de gebruikers gecreëerd wordt in plaats van door de zender.

Saai

Zo lijkt tekstcreatie steeds minder relevant te worden. Zelfs lettertoetsen verdienen het niet meer om tastbaar op een apparaat te zitten, maar bestaan slechts als touchscreen in de digitale wereld.
Waarschijnlijk omdat jongeren die toetsen nauwelijks meer gebruiken, aangezien ze taal maar saai en ouderwets vinden. Ze verplaatsen zich niet voor niets steeds meer van Facebook naar Instagram of Snapchat. Social Media waarbij beeld de boventoon voert en woorden overbodig zijn.

Lekker tikken

En daar zit ik dan achter m’n laptop. Een eind weg te tikken op een heus toetsenbord. Een verhaal te verzinnen met een begin, midden en eind, met plotpoints en mooi geformuleerde zinnen. Maar is dit niet vreselijk oubollig? Neemt iemand in de toekomst nog de moeite om al die zinnen tot zich te nemen? Die zorgvuldig geconstrueerde inleiding tot de eerste wending te lezen? Of bladeren ze gewoon door naar het punt waar het verhaal echt begint en lezen ze skimmend door naar het volgende keerpunt?

Heeft men nog het geduld om zelf een fantasiewereld op te moeten roepen via woorden? Of willen ze die wereld liever in hapklare brokken visueel voorgeschoteld krijgen? Een beeld schijnt immers meer te zeggen dan 1.000 woorden.

En is het nog wel wijs om als auteur solitair te schrijven? Of moet ik de samenwerking zoeken en mijn netwerk aanhaken om met elkaar een verhaal te creëren? Co-creatie is immers de nieuwe manier van produceren.

Houdbaarheid
Soms twijfel ik aan m’n werk. Dan ben ik geneigd om die hele vorm met die drie akten gewoon te wissen en mijn verhaal te beginnen met het belangrijkste moment eerst. Dan kan de lezer tenminste meteen bepalen of hij het interessant genoeg vindt om verder te gaan. Of dan denk ik dat ik beter een script kan schrijven, aangezien films waarschijnlijk meer houdbaarheid hebben dan een boek. Mijn ambitie te willen schrijven is immers al van twintig jaar geleden. Een ambitie die niet mee is gegroeid met de digitale vooruitgang.
Dus waarschijnlijk blijven verhalen wel bestaan. Maar heb ik misschien het verkeerde medium gekozen. En moet ik gaan filmen. Of striptekenen.

Catfight!

006de-fightVrienden vragen weleens wat mij inspireert. Hoe ik op het idee kom voor een verhaal. Gesprekken, zeg ik dan, krantenartikelen of verhalen in films en boeken. Er is altijd wel iets wat je aan het denken zet. Zo kwam ik er gisteren toevallig achter dat er een online blogruzie heerst over het onderwerp vrouw. De vrouw die slechts als seksueel wezen fungeert, de vrouw die nog steeds minder betaald krijgt voor een baan dan een man en de vrouw die de balans moet vinden tussen het opvoeden van haar kinderen en een carrière. Dit onder andere naar aanleiding van commentaar op de MILF awards door blogger Hasna El Maroudi. Commentaar dat kennelijk bij velen verkeerd valt. Zulke huilfeministes moeten initiatief nemen en ophouden met dat slachtoffergegeit.

Zo’n discussie inspireert en fascineert me dan. Niet dat er meteen een verhaal uitrolt, hoogstens een idee of een vraag. Want wat ik zo bijzonder vind is dat de vrouwen elkaar in de haren vliegen. Die wezens in hetzelfde schuitje halen hun nagels uit en vliegen elkaar in hun secuur gekapte haren.
Hoewel de verwijten gericht zijn op de man, houdt die zich volledig buiten de discussie. Die zal wel denken: spring niet tussen ruziënde katten, want voor je het weet is je eigen gezicht opengehaald. Logisch ook dat een man er niet zoveel van vindt. Hij heeft weinig last van de achtergestelde positie van een vrouw.

Het zijn dus vooral die vrouwen die boos zijn. Boos, omdat iedere vrouw een andere kijk heeft op die emancipatie. De een constateert wat er scheef loopt, de ander vindt dat daar aandacht voor gevraagd moet worden en een volgende doet er liever iets aan. Maar eigenlijk willen ze allemaal hetzelfde, erkenning en gelijkheid. Hoewel je je kan afvragen of volledige gelijkheid ooit zou kunnen bestaan. Want werkelijke emancipatie betekent juist gelijkheid door acceptatie van die verschillen.

Maar misschien is dat juist wat vrouwen kenmerkt, dat ze er niet tegen kunnen dat ze geen bevestiging bij elkaar vinden. Volgens de boekjes willen vrouwen immers verbinding zoeken en bij zo’n band past geen verschil van mening. Dus eigenlijk bevestigen ze met deze catfight dat ze toch echt vrouwen zijn.

Mooi verhaal dit. Daar kan ik vast iets mee. Iets met gelijkgestemde zielen die elkaar tegenspreken, of iets met felle vrouwen en lakse mannen of gewoon iets met tegenstellingen. Het borrelt in ieder geval…

Making it up as I go along

schrijven‘Is je boek al af?’ wordt er regelmatig aan mij gevraagd. Nee, dat is ie niet. Niet eens een beetje. Ik ben op de helft en kwam onlangs tot de conclusie dat ik driekwart van die helft wil herschrijven. Dan hou ik dus 12% over. Da’s iets van 2.500 woorden. Vijf pagina’s dus. Hooguit. Tja, schrijven is schrappen. Dus als ik schrap, dan schijn ik te schrijven.

Denken over doen
Op mijn werk kwam ik er recentelijk achter dat ik niet zo van de planning ben. Ik ben praktisch. Soms maak ik een schema waarin staat wie wat wanneer gaat doen. Maar verder dan dat kom ik meestal niet. Strategische of tactische planning laat ik over aan anderen. Laat mij maar het operationele deel uit een strategisch plan halen. Dat vind ik belangrijker dan eindeloze planvorming. Want dat zie ik als verspilling; in die tijd doe je immers niets, maar denk je alleen maar na over wat je kan doen.

Laatst vroeg mijn manager mij dan ook: ‘Hoe planmatig werk jij eigenlijk?’ Goed punt.  Ja, niet zo planmatig dus. Maar dat zei ik maar niet hardop. Want plannen maken is belangrijk. Vooral op mijn werkplek. Daar schrijf je een plan, met daarop een verbeterplan en uiteindelijk een herstelplan. Zo heb je tenminste driedubbel op papier staan wat je gaat doen. Of dat dan daadwerkelijk gebeurt, is weer een ander verhaal.

I don’t even have a pl..
Ook op andere vlakken ben ik zelden van de planning. Jaren geleden zei een kennisje tegen mij dat je ‘Op je 30e toch wel moet weten wat je met je leven wilt’. Daar kreeg ik het een beetje warm van. Ik was toen net 30 geworden en wist niet waar ze het over had. Of zoals Phoebe van Friends zo mooi zei: ‘Plan? I don’t even have a Pla…’

Gaandeweg
Nu blijk ik met schrijven ook niet echt te plannen. Ik heb ongeveer bedacht wat de belangrijkste sleutelscènes zijn en wat daar tussenin globaal gebeurt. Maar een scèneketting heb ik achterwege gelaten, evenals het uitdenken van m’n personages. Ik kom er gaandeweg achter wie nu eigenlijk wat doet en waarom. Oftewel: I’m making it up as I go along. Per scène wordt de omgeving steeds tastbaarder, verhaallijnen kleurrijker en personages ronder. Creatief gezien werkt dit goed.

Maar helaas heeft dit tot gevolg dat de scènes daarvoor die kleur niet hebben en anders moeten. Of zelfs opnieuw. Dat betekent dus schrappen. Of ‘my darlings killen’, zoals mijn docent zei. En soms vraag ik me dan af of een plan toch handiger was geweest. Want nu kost het waarschijnlijk meer tijd in plaats van minder, dat geschrap. Maar ja, blijkbaar past het niet bij me; plannen en schema’s. Ben ik meer van het gewoon maar schrijven. Om daarna weer verder te kijken…

Zinloze inspanning

Afgelopen week had ik tijdens de schrijfles een bijzonder inspirerend gesprek met een cursusgenoot. We spraken over de tijd die het kost om naast je baan en sociale leven ook nog elke week een minimum aantal woorden of hoofdstukken te willen schrijven. Hij had een korte periode deelgenomen aan de vierjarige schrijfopleiding, maar kon het niet combineren. Andere studiegenoten bij die opleiding hadden geen of een deeltijdbaan en dus meer tijd over. Ik vroeg me hardop af waarom we er zoveel moeite voor doen, naast alle andere verplichtingen, en zei dat het soms bijna zinloos voelt.
“Zinloos is het sowieso,” antwoordde hij toen, “Kijk maar naar Jeroen Brouwers. Hij is een vooraanstaand schrijver, maar zijn inkomen hangt aan elkaar van subsidies. Je kan nauwelijks rondkomen van schrijven.”
“Ja, dat is het lastige van Nederland,” zei ik, “want hier is die markt zo klein.”
“Precies,” zei de cursusgenoot, “Dus uiteindelijk is het niet zinlozer dan elke andere activiteit. En trouwens, alle activiteiten zijn zinloos, want uiteindelijk gaan we toch dood, dus het maakt toch niet uit.”
“Nou ja, gelukkig hebben we nog maar twee lessen,” antwoordde ik enigszins beteuterd, want dit was niet bepaald het stimulerende, inspirerende gevoel dat ik van de cursus wilde overhouden.
Ik kwam thuis met het idee dat ik mezelf voor nop elk weekend dwing een minimum aantal woorden te typen. Helemaal als je met alle inspiratie en schrijfvaardigheid die je in je hebt een stuk op papier zet, waar vervolgens genadeloos in gestreept wordt. “Van die veertien pagina’s had je er vier kunnen schrappen,” was het commentaar op mijn werk deze keer. En dat is goed te incasseren als je weet dat het ergens naartoe gaat; naar een product dat uiteindelijk zo goed is bijgeschaafd dat het klaar is voor de druk. Een druk die leidt tot een boek dat verkoopt, zodat je geld verdient. Misschien niet veel, wellicht een leuk zakcentje.
Maar wat nu als dat niet zo is en alle moeite die ik erin steek nergens op uitloopt? Wat nu als ik achteraf moet concluderen dat ik het geprobeerd heb en dat het is mislukt? Dan hak ik een droom aan stukken die ik al sinds mijn jeugd heb. Kan ik dan niet beter die droom koesteren en nu mijn halfbakken poging gewoon staken? Dan behoud ik tenminste nog de illusie dat het heus was gelukt als…
Iets najagen waar je geen enkele garantie bij hebt is best moeilijk. Mensen stranden niet voor niets in dat proces. Want jezelf steeds overtuigen van het idee dat alle moeite een doel heeft, vreet energie. Doorbijten doe je dan op pure wilskracht.Wilskracht die soms ver te zoeken is. Het volgen van je droom klinkt dan in theorie een stuk opwindender dan dat het in werkelijkheid is.

Mezelf aan m’n haren meesleuren

Structuur aanbrengen in je week is best handig. Helemaal als je die zo welbekende focus op het schrijven wil behouden. Een structuur waarin je elke dag, of in ieder geval elke week, een paar uren vrijhoudt voor het schrijven. Maar soms staat je leven ineens in de weg. Word je overspoeld door zieke familieleden, verhuizingen, drukke werkweken of vermoeidheid. Het nadenken over een verhaallijn geeft me dan net iets teveel onrust in m’n hoofd en de enige slome activiteit waar ik me toe kan zetten is het lamlendig verslinden van t.v. series.

En af en toe voel ik me daar dan schuldig over; schuldig omdat ik me niet eens kan verbinden aan datgene wat ik het liefst zou willen doen. Want de echte die-hards kunnen vast altijd ruimte vrijmaken. Zij laten zich nergens door uit het veld slaan, weten telkens weer gedisciplineerd een schrijfschema te maken en lopen elk moment over van sprankelende ideeën. En ik niet. Ik zit dan slap op de bank, verslagen door m’n eigen bedrijvigheid. Ideeën die ik heb, sluit ik dan tijdelijk op in een apart kamertje om te bewaren voor kalmere tijden.

Maar gelukkig ben ik me bewust van dit mankement. En weet zelfs een remedie. Ik heb een stok achter de deur nodig, iemand die me aan m’n haren meesleurt. Deadlines die me opgelegd worden en mensen die rekenen op het lezen van mijn stukken. Dit doe ik in de vorm van het volgen van een schrijfcursus, voor de tweede keer dit jaar. Bijkomend voordeel, naast de deadlines, zijn de leerzame adviezen en tips over techniek en structuur.

Ik had altijd romantische ideeën bij het volgen van een schrijfcursus. Inspirerende verhalen over het schrijverschap en eindeloze gesprekken over de weg van het verhaal en de doelen van personages. In werkelijkheid kreeg ik de eerste lessen van een stoffige schrijver met droge humor in een bleek, uitgekleed  klaslokaal. Geen inspirerende sessies, maar vooral strakke lessen in structuur, scènekettingen en perspectiefschrijven. In eerste instantie kwamen deze nogal saai over, maar uiteindelijk bleken ze heel behulpzaam te zijn.

Ik dacht dat de tweede cursus ook zo zou zijn. Helemaal toen ik erachter kwam dat ik les kreeg van een docent, waarvan ik daadwerkelijk een boek in de boekenkast heb staan (en die toevallig ook op het plaatje van deze blog staat). Op de foto kwam hij nogal streng over, dus verwachtte ik nog striktere lessen over structuur en negatieve kritieken op stijl. Maar de blik op een foto kan bedriegen. Want ik kreeg een eerste les met enthousiaste verhalen over mooie boeken, knap geschreven plots en talentvolle studenten. Tegelijkertijd was z’n uitleg over plotstructuur niet altijd helder. Op een chaotische manier lichtte hij de 3-akte structuur toe, maar wist dat weer energiek te illustreren met een filmvoorbeeld.
Op het einde van de les kregen we geen heldere huiswerkopdracht. Geen verplichting om scènes aan elkaar te rijgen of personagebeschrijvingen in te leveren. Met de woorden “Ga maar schrijven en lever de volgende keer de eerste tien pagina’s in” werden we naar huis gestuurd. Op mijn vraag of ik nog een structuur moest inleveren, antwoordde hij dat dat niet nodig was. Die structuur kon ik voor mezelf bedenken maar hoefde ik niet aan hem te laten zien, want uiteindelijk is schrijven volgens hem een creatief proces waar van alles in kan veranderen.

Kennelijk volgt elke schrijver zijn eigen route naar het creëren van een manuscript. En hoeft inspiratie niet altijd in een strakke structuur gevat te worden.

Waar ben ik?

cd6eb-invisible_manFocus houden. Dat is de kern. Maar focus op schrijven is best lastig als er ook andere dingen om mijn aandacht roepen. Zo moet ik me tegenwoordig ook druk maken om mijn eigen zichtbaarheid in de organisatie waar ik werk. Als communicatiemedewerker moet je kennelijk niet alleen de organisatie zichtbaar maken, maar ook jezelf. De organisatie in het spotlicht en ik ook. Een sales pitch met mezelf als product.

Ik krijg altijd de kriebels van dat soort termen. Modewoorden die organisaties als wondermiddel willen gebruiken voor verbetering. Het zou toch genoeg moeten zijn als je je taken actief oppakt, deadlines stelt en resultaten levert. En als je dan ook nog eens initiatief neemt, samenwerkt en pro-actief meedenkt, zou het plaatje compleet moeten zijn. Bij mij rijst dan ook de vraag wat er met die zogenaamde zichtbaarheid bedoeld wordt. Definieer die term eens, denk ik dan, maak het SMART.

Want wat ben ik dan wel als ik niet zichtbaar ben? Onzichtbaar? An invisible woman? Een stripfiguur dat lichaamloos achter haar bureau zit en geruisloos productie draait? En hoe hef ik deze status dan op? Door joelend en gillend door de gangen te huppelen? Te pas en te onpas bij het kopieerapparaat te vertellen wie ik ben en wat ik allemaal heb opgeleverd deze week? Of gewoon door elk moment mijn mening te verkondigen, bij voorkeur over zaken waar ik niet zoveel over te melden heb? Er doemen alleen maar komische beelden bij me op.

Uiteraard begrijp ik dat mijn nut in de organisatie duidelijk moet zijn. Want met spek en bonen verdien ik m’n geld niet. Maar is die noodzaak niet bepaald op het moment dat ze me aannamen? Mijn baan is tenslotte niet voor niets in het leven geroepen. Dus wiens verantwoordelijkheid is het dan uiteindelijk als mijn doel niet zichtbaar is? Is het de mijne, omdat ik het niet opvallend maak? Of is het die van het management, omdat die de werkvloer uit het oog verliest? Is het aan de medewerker om het gebrek aan helderheid op te lossen als het management het organisatieplaatje niet goed heeft uitgedacht?

Ik kan bij zulke eisen meestal niet meer dan achteloos en onbegrijpend m’n schouders ophalen. Ik ben er blijkbaar te praktisch voor. Goed werk valt vanzelf een keer op, denk ik dan. En modewoorden worden in het volgende seizoen vast vervangen door nieuwe. Ik zie vooralsnog dan ook geen reden om hiervoor in beweging te komen.

Was ik maar Beyoncé

BeyonceJaren geleden keek ik weleens naar een programma op MTV waarvan de exacte naam me is ontschoten. ‘The story of’ of ‘The history of’ vertelde het verhaal van een beroemde popster of bekende band. Je volgde het pad van de beroemdheid of beroemdheden naar het succes dat ze hadden bereikt. Inspirerend vond ik dat altijd en interessant om te zien wat ze onderweg aan geluk en tegenslag tegenkwamen.
Maar wat ik vaak storend vond waren de opmerkingen van familieleden en oude schoolvrienden die ‘altijd al hadden geweten’ dat hij of zij ‘het zou maken’. Lekker makkelijk, dacht ik dan. Zoiets is achteraf altijd eenvoudig te beweren; als er geen discussie meer mogelijk is over het welslagen of de sterrenstatus van de persoon in kwestie.

Zo keek ik ook een keer met iemand naar ‘the story of Destiny’s Child’. Verwonderd riep ik uit dat ik het maar ‘onzin!’ vond, die zelfverzekerdheid van de omgeving over de talenten die Beyoncé kennelijk al overduidelijk op haar derde bezat. Je zou toch denken dat haar schoolgenootjes destijds verdwaasd hadden moeten staan giechelen als Beyoncé weer zo nodig een choreografie moest bedenken voor haar plaatselijke dansclubje. Achteraf is alles makkelijk in een paar woorden te vatten. Maar in die periode had Beyoncé ook maar gewoon de indruk dat ze iets met dansen en zingen moest doen en ging eens wat uitproberen. Het had ook heel anders kunnen uitpakken. Ze had ook tijdens haar puberjaren verslingerd kunnen raken aan een vent en met haar ‘high school sweetheart’ in dezelfde stad gezellig een gezinnetje kunnen stichten, om vervolgens haar zangambities volstrekt te vergeten.

Maar daar was m’n medekijker het niet mee eens. “Het gaat juist om een bepaalde focus,” beweerde hij. Beyoncé was in de ogen van haar omgeving niet zomaar wat aan het knutselen. Haar doelgerichtheid zorgde ervoor dat haar talent opviel en dat men haar wel serieus móest nemen. Ik weet nog dat ik er even stil van was. Pas later besefte ik dat ik hem gelijk moest geven. Je kan gekscherend doen over iemand die een missie heeft, maar tegelijkertijd neem je daarmee je verlangen zo serieus dat je strak gericht bent op één punt, zaken voor elkaar krijgt en je vaardigheden zichtbaar maakt. Inmiddels zou ik wensen dat ik diezelfde focus had. Dat ik niet afgeleid word door 1.001 dingen om me heen. Want die focus op één punt maakt je keuzes helder en je handelingen eenduidig. En dat is wel zo overzichtelijk. Dus als het even kan, zou ik graag willen profiteren van de geestdrift van Beyoncé. Iemand tips hoe dit aan te pakken ;-)?